De beslissing van de SSLU om een punt te zetten achter het overleg met Lintmeijer en actie te gaan voeren maakt hopelijk een discussie los over de vraag: moeten we voor ons leefmilieu en onze gezondheid opkomen door de dialoog aan te gaan met wethouders, raadsleden en ambtenaren of door actie te voeren, zoals we dat vroeger deden?
Actie voeren om beslissingen van de gemeente tegen te houden of te beïnvloeden is een beetje uit de tijd. In de loop van de tachtiger jaren ontdekten bestuurders dat ze weerstanden bij de bevolking beter konden overwinnen door middel van intensieve voorlichting en georganiseerde inspraak. Ook werden de mogelijkheden uitgebreid om bezwaar te maken en beroep in te stellen tegen beslissingen van de overheid. Sindsdien denken veel mensen dat ze meer kunnen bereiken door aan de overlegtafel met en in klankbordgroepen van de gemeente te gaan zitten dan door protestbijeenkomsten te houden en publieke verontwaardiging op te roepen.
Mijn ervaring en die van veel andere burgers is dat inspraak de burger veel tijd kost en dat het bar weinig uithaalt. De bedoeling van inspraak en overleg met de bewoners is zelden om echt rekening te houden met de wensen en inzichten van bewoners. De bedoeling is veeleer om een plan of beleid dat al vaststaat door bewoners geaccepteerd te krijgen. En dat doet de gemeente (en corporaties) door de suggestie te wekken dat bewoners er invloed op hebben gehad. Overigens zijn inspraakprocedures, net als bezwaarprocedures, een bron van ambtelijke werkgelegenheid.
De discussie 'dialoog of actie' kun je op twee manieren voeren. Je kunt de vraag stellen: wat hebben we eigenlijk bereikt door aan inspraak en overleg mee te doen en wat met actievoeren? Die discussie heeft weinig zin, want naast vele voorbeelden van mislukte inspraak zijn vele voorbeelden te vinden van mislukte acties.
De discussie zou je fundamenteler kunnen voeren door de vraag te stellen of het mens- en maatschappijbeeld dat achter de voorkeur voor dialoog steekt wel zo realistisch is. Dialoog veronderstelt dat bewoners, ondernemers, bestuurders, raadsleden, beleidsambtenaren zich laten leiden door redelijke argumenten, ook als die redelijke argumenten botsen met hun belangen en met opvattingen die in hun kring gangbaar zijn. Het is vaak en uitvoerig onderzocht: daar is geen sprake van. De angst om een ander standpunt in te nemen dan dat van collega's, meerderen, ambtelijke medewerkers, partijgenoten en de media is zo sterk dat mensen zich maar al te vaak afsluiten voor feiten en inzichten die hen aan het twijfelen kunnen brengen.
De opvatting van Marx dat het denken van mensen nauw verbonden is met hun maatschappelijke positie is in de sociale wetenschappen inmiddels een open deur. Volgens de sociale psychologie hebben mensen bijvoorbeeld sterk de neiging zelfs hun waarneming van feiten in overeenstemming brengen met opvattingen in hun omgeving. De socioloog Mannheim bracht het begrip zijnsverbonden denken in omloop. Alleen dacht hij heel naïef dat intellectuelen daar geen last van zouden hebben. Zimbardo heeft in Het Lucifereffect allerlei onderzoek beschreven waaruit blijkt dat sociale druk zo allesbepalend is dat mensen niet of nauwelijks ontvankelijk zijn voor redelijke argumenten of een beroep op hun geweten.
Wanneer wethouders en raadsleden niet of alleen maar heel formeel reageren op adviezen en kritiek van bewonersgroepen en wijkraden ("voor kennisgeving aangenomen"), dan is dat niet omdat ze het te druk hebben, maar omdat ze met dat advies of die kritiek in hun maag zitten. Als ze zich er namelijk door zouden laten overtuigen, riskeren ze in de fractie alleen te komen te staan en irritatie op te roepen bij de eigen wethouder. De wethouder die open staat voor redelijke argumenten van burgers riskeert tegenwerking van ambtenaren. En als een wethouder of raadslid niet stevig in zijn schoenen staat, kiest hij voor de makkelijkste oplossing: kritische brieven en notities van burgers gaan ongelezen de prullenmand in.
Kortom: de opvatting dat je als burger of als groep van burgers iets zou kunnen bereiken door redelijke argumenten naar voren te brengen in een dialoog met wethouders en raadsleden (zeker als die daar zelf niet om vragen) is hopeloos naïef. Je zult eerst iets aan de machtsverhoudingen moeten doen. Zorgen dat de gemeente niet alleen maar naar Cório, de Jaarbeurs en de Rabobank luistert, maar ook en vooral naar de gewone burger en ondernemer. Dat bereik je dus niet door wethouders en raadsleden uit te leggen wat de grondprincipes zijn van de democratie, maar alleen door stevig en met zo veel mogelijk medestanders je ongenoegen te laten blijken als de gemeente jouw leefmilieu en jouw gezondheid (en die van je (klein)kinderen) ondergeschikt maakt aan de belangen van de gemeentelijke bureaucratie en een klein clubje grote ondernemers.
Kees van Oosten