Voorkomen van radicalisering is beter dan repressie. Dat is het adagium van het deze week gepresenteerde actieplan ‘Utrecht zijn we samen’ voor de aanpak van radicalisering in Utrecht. Het klinkt mij verstandig in de oren.
Het CDA en de VVD kiezen in het AD/UN van afgelopen zaterdag echter nadrukkelijk voor repressie, ofwel de onderbuik. Onbegrijpelijk vindt CDA-raadslid Marloes Metaal de strategie van de gemeente. Geen thee drinken met ronselaars en haatimams, roept VVD-raadslid Queeny Raijkowski.
Nu staat er nergens in het actieplan dat er thee gedronken moet worden met haatimams en ronselaars. De grens van wat wel en niet wordt getolereerd is duidelijk: mensen mogen radicale opvattingen verkondigen, vrijheid van meningsuiting noemen ze dat, maar niet haatzaaien en oproepen tot geweld. Dat wordt nauwlettend in de gaten gehouden.
Burgemeester Van Zanen, toch een verstandige VVD’er, zegt dan ook in het voorwoord van het actieplan dat je de veiligheid in de stad vergroot door met elkaar in gesprek te blijven én alert te zijn. Met andere woorden: de veiligheid in de stad wordt niet vergroot door voortdurend te roeptoeteren dat haatimams en ronselaars de stad moeten worden uitgejaagd.
Nu begrijp ik ook wel dat het CDA en de VVD graag kiezers ronselen onder de aanhang van Geert Wilders. Maar het is wel cynisch als je daardoor juist een klimaat schept waarin je Utrechters van je vervreemdt en een voedingsbodem creëert voor radicalisering.
Mario Gibbels