Het bezoek aan de bibliotheek van het Amsterdamse Meertens Instituut een maand geleden (zie column ‘De aanslag en Het Bureau’) deed me weer denken aan mijn bijbaantje half jaren zeventig. Ik werkte toen een tijd bij de (oude) Universiteit Bibliotheek (UB) aan de Wittevrouwenstraat in Utrecht. Het kwam niet door de netjes in gelid staande open boekenkasten van pakweg twee en een halve meter hoog. Nee, het was vooral de muffe boekengeur die me ruim veertig jaar terugbracht.
In die tijd woonde ik nog in de Bellamystraat bij opoe, mijn hospita. Haar oudste kleinzoon Michel werkte in de UB. Hij was één van de boekenlopers. Als er een aanvraag voor een boek kwam, ging hij dat boek ophalen en bracht het naar de uitleenbalie. Je moest geen last van hoogtevrees hebben. Soms keek je door drie roostervloeren zo’n tien meter naar beneden. Ik moest er in ieder geval erg aan wennen, maar zo vaak was ik niet in de boekenopslagruimte.
Over mijn studie biologie heb ik ruim twaalf jaar gedaan. Dat kon toen nog. Ik moest wel de laatste paar jaar mijn eigen geld verdienen. Dankzij Michel kon ik aan de slag in de UB. Alleen, ik heb er nog maar zeer vage beelden uit die tijd. Laat staan ‘harde’ feiten. Zo heb ik geen idee meer hoe lang ik stempelaar ben geweest: een, twee of drie jaar? Ik werkte alleen ’s morgens. Maar was dat voor twee of vijf ochtenden? Opnieuw geen idee. ’s Middags wilde ik in principe studeren of beter gezegd mijn onderzoeksresultaten uitwerken en scripties schrijven. Ik denk dat ik met dit baantje ben opgehouden toen ik in december 1977 aan mijn vervangende dienstplicht moest beginnen. Pas in maart 1979 studeerde ik officieel af.
Voordat nieuwe boeken hun vast plek kregen in de bibliotheek moest dat duidelijk zichtbaar in code op de rug van het boek komen te staan. Als boekenstempelaar had ik een setje stempels tot mijn beschikking. Een stempel was een metalen staaf met een letter of een cijfer erop. Voorin in het boek was met potlood geschreven wat op de rug moest komen te staan. Ik stempelde de code op een papieren of katoenen sticker die onder op de rug van het boek werd geplakt. Eerst kwam het kastnummer: 586 bijvoorbeeld. Onder dat nummer kwam de letter te staan van de plank waarop het boek stond en daaronder: de plaats op die plank. Dus het boek met rugnummer 586D12 stond in kast 586 op plank D (vierde plank van onderen) en op plek 12 gemeten vanuit de linkerkant van die plank. Bij het Meertens Instituut waren de geprinte teksten op boekrugstickers veel ingewikkelder. Behalve de plek was er in codes ook nog iets aangebracht over het soort boek of tot welke collectie het boek behoorde.
Op zich is het grappig dat het vooral de geur was die me even weer terugwierp naar de jaren zeventig. Geuren zijn nu eenmaal een sterke prikkel om ver weggezakte herinneringen op te halen. Mijn baantje als boekenstempelaar was er zo één. Ik heb het zelfs nooit genoemd in mijn allereerste cv. Groots en meeslepend was het werk natuurlijk niet, maar ik heb er nooit een hekel aan gehad. Ik heb vooral veel gelachen met mijn toenmalige collega’s.
Dik Binnendijk

UB-toegangspoort aan de Wittevrouwenstraat (foto: Dik Binnendijk, 12-03-2016)