Op de Vredenburgmarktdagen loop ik doelgericht naar mijn kramen waar ik etenswaar koop. Vooral op de zaterdagmarkt is het druk en dan slalom ik om de mensen heen, zonder ze echt te zien. Ze zijn gewoon obstakels die ik moet zien te vermijden. Zo zie ik ook de mensenmassa in Hoog Catharijne, op het station of in de binnenstad: hinderpalen op weg naar mijn bestemming. In mijn eigen stadsie loop ik in m’n eentje nooit de toerist uit te hangen. En die toeristen of ‘doelloos winkelend’ publiek lopen natuurlijk altijd voor mijn voeten. (Wellicht doe ik exact hetzelfde als ik in een andere stad ben.)
Omdat ik vooral hindernissen probeer te ontwijken en niet bezig ben met ‘Zie ik bekenden?’, zien anderen mij vaak als eerste. Regelmatig hoor ik van buren, kennissen of vrienden: “Wil je me niet zien?” Soms bots ik bijna tegen ze op, voordat ik ze opmerk. Als iemand gaat zwaaien trekt dat wel mijn aandacht. En als ik ‘Dik’ of ‘Di..hik’ hoor, kijk ik echt om me heen op zoek naar de Dik-roeper.
Zo’n vijf jaar geleden botste ik op de markt bijna tegen Erik Groot op. Erik herkende me natuurlijk en ik hem niet meteen. Hij was regisseur van een paar toneelstukken waar ik begin jaren ’90 in gespeeld heb. Hij was ook betrokken bij de casting voor de IKON-KRO tv-jeugdserie ‘Link’ die in 1994 is uitgezonden. Ik speelde daar een minirolletje in (zie de column ‘Wachten, wachten en nog eens wachten’ van 7 juli 2017). Nadat ik weer wist waarvan ik Erik kende, vertelde hij me dat hij niet meer actief was in de toneelwereld. Pas na de derde keer dat we elkaar zagen, wist ik ook zijn naam weer. Heel vaak onthoud ik een naam beter als ik die heb opgeschreven. Dus dat heb ik thuis ook gedaan achterin mijn agenda. Maar voordat ik thuis was, repeteerde ik ondertussen zijn naam zachtjes “Erik Groot … Erik… Erik Groot”. Meestal als ik een naam heb opgeschreven hoef ik er daarna niet meer naar te kijken.
In de column ‘Rode pumps’ (17 februari 2017) vertelde ik over het toneelstuk ‘De Vliegenier’ van Wanda Reisel, dat Erik regisseerde. In het toneelstuk daarvoor had ik een zwijgende rol. Ik was alleen nadrukkelijk als pooier aanwezig op het toneel. Er was een stellage gemaakt waarop ik achter een gordijn lag te vozen met vrouwen. Het gordijn wapperde in ieder geval flink. Bij het afdalen van de trap naar de toneelvloer, had ik alleen een wijde, zwarte cape om. Bij het afdalen moest mijn cape heel kort even open waaien. Het doel daarvan was dat het publiek dacht “Was die man nou bloot of niet?” Later in het stuk zat ik gekleed op het toneel en werd vertroeteld door twee vrouwen. En van die scène vond ik bij toeval nog een foto (zie hieronder). Die kwam ik tegen toen ik voor een andere column op zoek was naar foto’s in mijn vier grote fotoverzameldozen. Achterop de foto stond geschreven dat het een scène was uit het toneelstuk ‘Onweer’ van de Zweedse toneelschrijver August Strindberg. Dit oude nieuwtje weet ik pas weer sinds twee weken. ‘Onweer’ is in het Zweeds: Oväder; het stuk is geschreven in 1907.
Door deze foto moest ik ineens weer aan Erik denken en ons ‘(on)bekende herkennen’. Ik kom hem de laatste tijd regelmatig tegen in de wandelgangen van de Grote Zaal van TivoliVredenburg. Hij is daar een van de gastheren. Als ik Erik zie, deelt hij meestal programmaboekjes uit van het klassieke concert dat die avond daar plaatsvindt. Hij is dus in functie en onze gesprekjes zijn daardoor vrij kort maar gezellig.
Dik Binnendijk
Pooier Dik en z’n vrouwen uit ‘Onweer’ van August Strindberg; regie: Erik Groot; april 1992