Vanavond zullen we weten hoe het werkelijk is gesteld met de ‘open’ en ‘transparante’ bestuurscultuur waarover de coalitie van GroenLinks, PvdA en D66 zo graag pocht. Het uitgestelde debat over de kwestie Nicolich is wat mij betreft de laatste kans van zowel burgemeester Wolfsen en zijn groep wethouders als die van alle 45 raadsleden om afstand te nemen van decennia bestuurlijke mist in Utrecht.
Wie de moeite neemt om de inmiddels grotendeels geopenbaarde verslagen van de geheime raad van 2 februari te lezen slaat achterover van pure ellende. Bijna drie uur sloot de raad zich af van de buitenwacht om te zeuren en zaniken over de privacy van de Romafamilie. Een lamlendige dans tussen een flink deel van de raad, het college en hun juristen om het gestuntel en geblunder van bestuurders en ambtenaren aan het zicht van boeren, burgers en buitenlui te onttrekken. En de Roma zelf? Die werden, ondanks wat de wet daarover zegt, niet gevraagd hoe zij denken over hun privacy.
Er is geen andere conclusie mogelijk dan dat het dossier Nicolich stinkt als de Oudegracht in de middeleeuwen. De levensader van de Domstad geurt en meurt naar poep. Alsof alle viezigheid die is opgestapeld in het prachtige stadhuis in een keer door het raam de plomp is ingekieperd.
Wij feodalen van de stadstaat Utrecht kiezen raadsleden om namens ons burgemeester en wethouders te controleren en waar nodig ter verantwoording te roepen. Als deze volksvertegenwoordigers zich niet heel goed achter de oren krabben wordt vanavond een Romagezin – die het volgens de hulpverleners en wijkagent prima deed de afgelopen twee jaar in het verkrotte landhuis Rhijnshoek – op straat gezet om gemeentelijk miskleunen te verbloemen.
Feitelijk ging de het al fout toen in september 2010 wethouder Harrie Bosch de gemeenteraad groteske onzin verkondigde tijdens raadsvragen van de VVD. En op een scheef fundament kan je niet recht bouwen. Onze volksvertegenwoordigers hebben dus de keus: mag de stad gier blijven lozen of repareren we het riool.
Wouter de Heus
Deze column is eerder gepubliceerd in
AD/Utrechts Nieuwsblad en op
WouterdeHeus.nl.